GeorgeSports Logo

 

Energiehuishouding tijdens inspanning gekoppeld aan de hartslag

2011-06-09, door: Berry van Holland

Nieuwe column    <    Overzicht    >    Oude column


In een eerder artikel is gesproken over de energiehuishouding tijdens inspanning. Aan de hand van de R-waarde (verhouding uitgeademde CO2, opgenomen O2) kon worden berekend voor hoeveel procent de energie uit vetten wordt  gehaald en voor hoeveel procent uit koolhydraten. Tijdens een training is het vrijwel niet mogelijk, en zeker niet praktisch, om continu de R-waarde te bepalen. Het is wel mogelijk om de hartslag te meten. Door nu de hartslag te koppelen aan de energiehuishouding kan eenvoudig bepaald worden voor hoeveel procent een energiebron wordt ingezet. Deze methode is helaas niet heel nauwkeurig, omdat de energiehuishouding afhankelijk is van meerdere factoren (zoals voedingsstatus en getraindheid, en niet alleen van de hartslag), maar geeft wel enig inzicht.

Om inzicht te krijgen in de energiehuishouding bij een bepaalde hartslag is het nodig om een (maximale) inspanningstest te doen, waarbij de ademgassen worden geanalyseerd. Op basis daarvan wordt de R-waarde berekend en kan de verdeling koolhydraat- en vetverbranding worden bepaald.

In Figuur 1 wordt de verdeling van energiebronnen weergegeven tijdens een maximale inspanningstest. De linkerhelft van de figuur toont de resultaten van een getrainde sporter tijdens het protocol waarbij iedere 3 minuten de belasting werd verhoogd. De rechterhelft van de figuur toont de resultaten van een ongetrainde sporter tijdens het protocol waarbij iedere minuut de belasting werd verhoogd.

Energiebron en hartslag uitgezet tegen de tijd. Links: getrainde sporter; Rechts: ongetrainde sporter.
Figuur 1. Energiebron en hartslag uitgezet tegen de tijd. Links: getrainde sporter; Rechts: ongetrainde sporter.

Het is normaal dat bij toenemende inspanning de hartslag toeneemt. Eveneens is voor een grotere inspanning meer energie nodig. Die wordt makkelijker geleverd door middel van koolhydraatverbranding dan door vetverbranding. Om te weten te komen bij welke hartslag een bepaald percentage vetten en koolhydraten wordt verbrand, kan dit worden bepaald aan de hand van bovenstaande figuren. Neem bijvoorbeeld bij beide sporters een hartslag van 150 slagen per minuut, aangeduid met een pijltje. Zoals te zien is bij de getrainde sporter (linkerhelft) wordt bij deze hartslag ongeveer 25% van de energie uit vetten gehaald en 75% uit koolhydraten. De ongetrainde sporter haalt in dit geval uit beide energiebronnen ongeveer 50%. Bij een hartslag van 175 maken beide sporters alleen nog maar gebruik van koolhydraatverbranding.
Dat bij toenemende inspanning relatief minder vetten worden verbrand, wil nog niet zeggen dat dit absoluut ook zo is. Behalve richting maximale inspanning, daar wordt vrijwel alle energie uit aerobe en anaerobe koolhydraatverbranding gehaald.

Als het doel is om het lichaam energie te laten halen uit vetverbranding, lijkt het verstandig om met een ‘lage’ hartslag in te spannen. Moet het lichaam juist meer gebruik maken van koolhydraatverbranding, dan is het aan te bevelen om bij een hogere hartslag in te spannen.

 

Berry van Holland, bewegingswetenschapper
in samenspraak met George Sieverding

 

Nieuwe column    <    Overzicht    >    Oude column

 © George Sports 2017