GeorgeSports Logo

 

Energiehuishouding tijdens inspanning

2011-05-27, door: Berry van Holland

Nieuwe column    <    Overzicht    >    Oude column


Om inspanning te kunnen leveren, is energie nodig. Er zijn drie bronnen waaruit die energie gehaald kan worden: vetten, koolhydraten en eiwit. Deze energiebronnen zitten in diverse soorten voeding.
Vetten worden vooral gebruikt bij inspanning op lage intensiteit. Bij toenemende intensiteit gaat de koolhydraatverbranding een steeds grotere rol spelen. Eiwitten worden nauwelijks gebruikt en alleen in uiterste noodzaak ingezet. Zie voor een overzicht Tabel 1.

Tabel 1 Inzet van energiebronnen bij verschillende typen inspanning.


Energiebron

Rust

Lichte tot gemiddelde inspanning

Hoge intensiteit duurinspanning

Hoge intensiteit sprint inspanning

Eiwitten

2-5%

2-5%

5-8%

2%

Koolhydraten

35%

40%

70%

95%

Vetten

60%

55%

15%

3%

Overgenomen uit: McArdle WD, Katch FI, Katch VL. 1999. Sports & Exercise Nutrition. New York: Lippincott, Williams & Williams.

Om te illustreren hoe de energiehuishouding tijdens inspanning te werk gaat, worden als voorbeeld enkele resultaten van een maximale inspanningstest weergegeven. In de linkerhelft van Figuur 1 staan voor een getrainde sporter de R-waarde en de relatieve bijdrage van vetten en koolhydraten tijdens oplopende inspanning weergegeven. In de rechterhelft van Figuur 1 staan deze resultaten voor een ongetrainde sporter weergegeven. De R-waarde staat voor de verhouding tussen de hoeveelheid uitgeademde koolstofdioxide (CO2) en opgenomen zuurstof (O2). De R-waarde in rust is normaal 0,78-0,8.

Weergave  van de R-waarde en relatieve bijdrage van energie uit vetten en koolhydraten  tijdens inspanning van een getrainde sporter (links) en een ongetrainde sporter  (rechts).
Figuur 1 Weergave van de R-waarde en relatieve bijdrage van energie uit vetten en koolhydraten tijdens inspanning van een getrainde sporter (links) en een ongetrainde sporter (rechts).

De laagst mogelijke R-waarde is 0,7. In dat geval gebruikt het lichaam alleen vetten als energiebron. Dat komt tijdens inspanning vrijwel nooit voor. Als de R-waarde 1,0 is, worden enkel koolhydraten als energiebron gebruikt. Tussen de 0,7 en 1,0 varieert dit lineair, dus bij 0,85 wordt de energie voor 50% uit vetten en voor 50% uit koolhydraten gehaald. Tot aan de 1,0 wordt energie aeroob (met zuurstof) geleverd. Komt de waarde boven de 1,0 dan wordt er óók anaeroob (zonder zuurstof) energie geleverd. Hiervoor worden alleen koolhydraten gebruikt.

De inzet van diverse energiebronnen hangt af van meerdere factoren. Belangrijk hierin is de maaltijd voorafgaand aan de inspanning. Een koolhydraatrijke maaltijd zorgt voor een grotere inzet van koolhydraten, ongeacht trainingsstatus of mate van inspanning. Daarnaast is de intensiteit van inspanning een belangrijke factor. Des te hoger de intensiteit des te meer koolhydraten worden verbrand. Andere factoren de zijn concentraties vrije vetzuren en lactaat (melkzuur) in het bloed.

Verder interessant om te vermelden is het feit dat ondanks de relatieve afname van vetverbranding bij toenemende inspanning, de absolute vetverbranding niet hoeft af te nemen. Dit wordt verklaard door het feit dat bij een grotere inspanning ook meer energie geleverd moet worden, die nog steeds uit vetten gehaald kan worden.

Voor meer informatie omtrent de energiehuishouding tijdens inspanning kunt u terecht bij de auteurs.

 

Berry van Holland, bewegingswetenschapper
in samenspraak met George Sieverding

 

Nieuwe column    <    Overzicht    >    Oude column

 © George Sports 2017